In 1919 maakt Schwitters zijn eerste Merzbild, een collage opgebouwd uit gevonden materialen en krantenresten. De naam verwijst naar een fragment van ‘Kommerz und Privatbank’, waarvan alleen de letters MERZ te lezen zijn. In 1921 ontmoet hij Theo van Doesburg. Samen met onder anderen Nelly van Doesburg en Vilmos Huszár brengt hij het dadaïsme naar Nederland. Tijdens deze optredens ontdekt ook Drachten de radicale kunst van Schwitters. In 1923 treedt hij solo op in de bovenzaal van hotel De Phoenix.
Schwitters bouwt in Nederland een netwerk op van kunstenaars en vrienden, waaronder de familie Rinsema. Tijdens zijn verblijven betaalt hij vaak met kunstwerken, zoals collages, portretten en landschappen. Zo ontstaat ook het bekende contact met Thijs en Nel Rinsema, die hij meerdere keren portretteert.
Vanaf 1937 vlucht hij voor het naziregime naar Noorwegen en later Engeland, waar hij in 1948 overlijdt. Schwitters wordt gezien als nar; een grappenmaker, die tegelijkertijd de spot drijft met maatschappelijke misstanden. Een bescheiden man met een speelse geest, die grootse kunst heeft gemaakt. Zijn invloed is tot op de dag van vandaag zichtbaar.